Roel van Nunen | 06 december 2010 |  <   > |
TAGS: Muziek |

Rheinberger: Orgelconcerti

Josef Gabriel Rheinberger (1839 - 1901 ) is een , alleszins voor mij , vrij onbekend Duits componist. Hij schreef veel religieuze koormuziek, ( waaronder 12 missen, een requiem en een Stabat Mater ) daarnaast ook opera's, symfonische muziek , en wat kamermuziek

Zijn plaats in de muziekgeschiedenis heeft hij echter bijna uitsluitend te danken aan iets anders, namelijk zijn composities voor orgel:  veel muziek voor kerkorgel solo, maar ook twee concerti, die nu op een nieuwe multichannel SACD van het label MDG verschenen zijn. De sacd wordt nog aangevuld met drie korte stukjes voor cello en orgel. Totale duurtijd van de schijf ( iets waar ik nogal gevoelig voor ben ) bedraagt 57'58".

Het orkest en het orgel: het begint allebei met een o, en het zijn twee explosieve componenten. "De gevarieerde klanken van een orkest kunnen nooit  ( volledig ) samengaan met de monotonie  van een orgel"  beweerde Berlioz  ,alhoewel hij zelf toch met het gebruik ervan experimenteerde in zijn Te Deum.  Mozart en Händel hadden reeds voldoende aangetoond dat de combinatie wel mogelijk is, maar de uitspraak van Berlioz is te begrijpen door de ontwikkeling van orkestrale muziek in de romantiek : grotere bezettingen en rijker instrumentarium zorgen voor meer geluid en meer klankkleuren.  Klankkleuren dus, net iets waar een orgel zo in excelleert, vind ik . ( Blijkbaar was Berlioz het hier niet mee eens) .  Dergelijke muziek vraagt volgens mij dan ook om een componist met vakmanschap en instrumentbeheersing.  Orgelmuziek in de romantiek wordt dan ook quasi uitsluitend door organisten gecomponeerd.

Zoals gezegd kende ik deze muziek niet en  ik wist dus niet waaraan ik mij mocht verwachten. Ik overschouwde mijn collectie en mijmerde een beetje over  romantische orgelmuziek die ik wel kende ( Saint-Saens, Widor, een beetje Reger, orgelstukken van Franck en een orgelconcert van Poulenc, alhoewel deze laatste  al een beetje recentere muziek is ).  De eerste beluistering viel wat tegen. Melodieus vond ik het een beetje zwak, het bleef niet in het oor hangen om zo te zeggen. Nu weet ik wel , dat veel muziek meerdere luisterervaringen behoeft, dus zo gauw gaf ik het niet op.

Ik trachtte wat meer te weten te komen over de muziek in kwestie. Dat  is iets wat altijd interessant kan zijn. Waarom klinkt iets zoals het klinkt ? Heeft de componist het zo bedoeld of waren er technische beperkingen ? Zo leerde ik dat Rheinberger niet zomaar zacht of luid kon spelen op zijn instrument. Hij beperkte of vermeerderde het volume door meer of minder registers te gebruiken. Dat dit zijn invloed heeft op de manier van componeren, lijkt mij nogal duidelijk. Rheinberger kon  enkel het begeleidende orkest laten aanzwellen of verzwakken en hij componeerde daar dan ook naar. In die zin had dit orkest meer een dominerende rol in de muziek dan ik verwacht had.  Met deze kennis vond ik de muziek al veel interessanter. Hoe zagen die orkestpartijen er eigenlijk uit ?

Het eerste concerto heeft als begeleiding een strijkersensemble aangevuld met drie hoorns, het tweede een gelijkaardig strijkersensemble, maar dan aangevuld met een paar hoorns en een paar trompetten met pauken erbovenop.  Dat leek mij niet veel aan instrumentarium. Die concerto's konden onmogelijk de impact geven die ik ervan verwacht had, omdat ik een preoccupatie had met de muziek van Widor en Poulenc.  De ietwat etherische melodieën  kwamen nu veel logischer over. Kortom, hoe langer ik er naar luisterde, hoe aangenamer ik het vond klinken.

Zo probeer ik dus muziek te leren waarderen, niet alleen door de klankbeelden van het stuk zelf,  maar ook door de ontstaansgeschiedenis van een werk onder de loep te nemen. Ondertussen kan ik zeggen dat het zeer mooie muziek is.

Hoe zat het met de balans tussen orkest en orgel ?  Een heikel gegeven.  Ik heb in mijn  jeugdig bestaan als katholiek jongetje genoeg tijd in de kerk  doorgebracht om te beseffen, dat, als een orgel blaft, alle andere dieren met verstomming geslagen zijn.   MDG gaat prat op hun opnames: zij beweren bij hoog en laag een zo natuurgetrouw mogelijke weergave na te streven.  Het orgel is , zoals hiervoor aangehaald,  vaak begeleidend , je hoort geen tutti met alle registers open. Je krijgt dus een balans tussen orkest en orgel, die in evenwicht is, beiden klinken doorgaans even hard. Ik was niet aanwezig in de Stadtkirche  Winterthur, dus kan ik moeilijk oordelen over het volume van dit orgel en de impact ervan in die kerk . Ik vermoed echter dat men ( terecht ?!) gekozen heeft voor de verstaanbaarheid van de muziek, en dus het orkest iets meer naar voren geschoven heeft.

Hoe zit het met de uitvoerders ? Stefan Johannes Bleicher was van 2001 tot 2009  stadsorganist van Winterthur, dus enig gebrek aan vertrouwdheid met het prachtige romantische "Walcker-orgel"  kunnen we hem zeker niet aanrekenen. en  het Musikkollegium Winterthur is geen bekend wereldorkest, maar als pleitbezorgers voor deze prachtige onbekende  muziek , lijkt het mij een zeer goede cast. Celliste  Cäcilia Schmell (in de drie extra stukken voor cello en orgel die ook op deze sacd staan ) is zonder meer degelijk.

Een aangename en verrassende kennismaking.